laatste nieuws

Het project Klein-Seminarie Ypelaar 1950-1969 is begonnen in 2013, vanuit het inzicht dat onze generatie de geschiedenis van het instituut zou moeten schrijven voor het te laat is, dat wil zeggen de laatste oud-leerlingen al bij Sint Petrus hebben aangebeld.

Als project geschiedschrijving is ons project op een totaal ongebruikelijke wijze gestart en verlopen. Het is begonnen met een toevallige ontmoeting van twee oud-leerlingen (ondergetekende en Ad Oomen) die beiden met erkentelijkheid terugdachten aan hun tijd op de Ypelaar, en de uitstekende vorming die ze er gehad hadden, en allebei vonden dat de herinnering levend gehouden moest worden.

Normaliter zou een dergelijk project zijn begonnen met archiefonderzoek, maar informatie bij het bisdom Breda leverde al onmiddellijk een probleem op. Het archief was slechts open voor onderzoek op dinsdagmiddag, hetgeen gezien de afstand Maastricht – Breda serieus archief-onderzoek onmogelijk maakte. Archief-onderzoek werd pas mogelijk enkele jaren daarna, toen het bisdom Breda een archivaris kreeg. Maar toen liep ons project al enkele jaren. Wel zijn wij in die beginperiode samen met Ad Oomen op bezoek geweest bij enkele oud-leerlingen, die ons hun herinneringen aan het leven op de Ypelaar hebben verteld.

De meest efficiënte mogelijkheid om informatie, gegevens, documenten te krijgen, bleek het maken van een website. Dank zij die website is in zes jaar veel documentatie verzameld, in de vorm van persoonlijke getuigenissen, foto’s, verhalen, feiten, namen van leraren (inclusief alle bijnamen) en oud-leerlingen, enz. Dank zij die website kwam ik ook in contact met mijn oud-klasgenoot Jan de Kort, en samen hebben we hard gewerkt, en vele dagen doorgebracht bij het archief van het bisdom Breda.

Het feit dat de copij voor ons boek in eerste instantie niet uit archiefonderzoek kwam, maar van persoonlijke getuigenissen van oud-leerlingen, heeft er toe geleid dat ons onderzoek een groot aandeel bezit van wat historici tegenwoordig noemen “oral history”. Hieronder verstaan wij getuigenissen van mensen de gebeurtenissen hebben beleefd, daarover in interviews hun persoonlijke herinneringen hebben verteld, of die getuigenissen, herinneringen, gebeurtenissen op schrift hebben gesteld. Het eigene van “oral history” – en een archivaris weet dat als geen ander – is dat daarbij zaken en aspecten aan het licht komen die de archief-onderzoeker nu eenmaal nooit zal vinden, omdat archieven slechts de zakelijke neerslag zijn van het organisatorisch aspect van een instituut.

Nu kwam de vraag naar een eventuele publicatie van de reeds bijeengebrachte documentatie. Die zou op het normaal boekformaat (17 x 24 cm zo’n 812 bladzijden tellen.

Een eerste domper op de feestvreugde diende zich aan bij het in werking treden van de AVG in 2018, waardoor een belangrijk deel van de copij vervalt, met name de leerlingenlijst, en bijvoorbeeld alle klassefoto’s, die weliswaar gepubliceerd mogen worden, echter zonder namen, maar die zonder de namen van de leerlingen geen historische waarde hebben. Ik heb dus heel de verzamelde copij doorgenomen, om alle naamsvermeldingen weg te halen, behalve de namen van oud-leerlingen die reacties hebben ingezonden ter publicatie, omdat we in deze gevallen er van uit mogen gaan dat ze daarmee impliciet toestemming geven voor vermelding van hun naam. 

Maar zelfs met weglating van de privacy-beschermde gegevens zou de tot nu toe bijeengebrachte copij nog altijd een boek opleveren van zo’n 700 bladzijden. Een uitgave van een dergelijke omvang is niet reëel. Al was het maar vanwege de kosten. Daar zal geen uitgever voor te vinden zijn.

Bovendien stelde zich nu ook de vraag naar de mogelijke lezerskring, en naar het genre boek dat wij willen uitbrengen. Beogen wij met ons project pure geschiedschrijving? Of documentatie voor een reünie van ondertussen grijsbebaarde oudleerlingen die jeugdsentiment komen ophalen, anecdotes uit het internaatsleven? Op welke lezers richten wij ons? Op een algemeen lezerspubliek? Op oud-leerlingen? Op de categorie “onze kleinkinderen” die de sterke verhalen van opa niet meer willen geloven? Op specialisten in onderwijsgeschiedenis? Op godsdienstsociologen als Dellepoort? En welk soort boek? Een boek zoals er al meerdere zijn verschenen over het internaatsleven op een klein-seminarie? Welk boek moeten we maken ? Misschien kunnen wij (of ook anderen) met de bijeengebracht copij zelfs meerdere publicaties, artikelen of boekjes maken? Moet het boek specifiek over de Ypelaar gaan, of meer algemeen over de Ypelaar in het brede kader van de klein-seminaries? Oud-leerlingen zullen een boek over hun seminarieleven in de jaren 1950-1960 wel kunnen waarderen, inclusief de anecdotes. De buitenstaander niet. Die anecdotes schetsen weliswaar een levendig beeld van het leven op een klein-seminarie, maar interesseren die ook de buitenwacht? Is het maken van meerdere publicaties een optie? Een aparte studie zou bijvoorbeeld kunnen zijn het gebouw, namelijk de bouw van een duur en kwalitatief hoogstaand gebouw in de context van de na-oorlogse woningnood. Een ander mooi onderwerp zou bijvoorbeeld kunnen zijn de levensgeschiedenissen van de priesterleraren en surveillanten die hun werk deden in opdracht van de bisschop, maar er niet voor gekozen hadden.

Wij hadden ondertussen contact opgenomen met ZHC als mogelijke uitgever van het boek. Wij gaan dus een boek over de Ypelaar als klein-seminarie en internaat maken, beperkt tot ongeveer 250 bladzijden. Voor een dergelijk boek is zeker een uitgever te vinden.

Régis de la Haye (Ypelaar 1957-1964)