Spiritualiteit

Het klein-seminarie Ypelaar leidde jonge jongens op voor het seculier priesterschap ten dienste van het bisdom Breda. Het geestelijke leven en de religieuze vorming waren dan ook zeer rijk.

 Liturgie

Iedere dag begon met het ochtendgebed in de kapel, gevolgd door een meditatie door de regent, en de H. Mis. In de transepten van de kapel stonden altaren, waar de priesterleraren de Mis konden lezen. Het was de tijd dat concelebratie nog niet was toegestaan. Voor iedere particuliere Mis van een priesterleraar werd een leerling aangewezen als misdienaar. Iedere dag werd afgesloten met het avondgebed in de kapel.

Op zondag was er een Hoogmis, doorgaans gecelebreerd door de regent. De Schola Cantorum, met zangers in zwarte toog en superplie, verzorgde daarbij de gregoriaanse gezangen. Met ingang van het schooljaar 1957-1958 werd de stille mis van de zondagochtend afgeschaft. Tot dan toe moesten de leerlingen twee missen volgen op zondag: een stille mis in de vroege ochtend en de Hoogmis.

De zondag werd afgesloten met de gregoriaanse gezongen Vespers. Vond de dirigent van de Schola, dhr. Kuypers, de gregoriaanse gezangen van de Vespers te moeilijk, dan liet hij op die bepaalde zondagen de Completen zingen.

Ik vond de dagelijkse mis geen crime, de muziek, gezongen door de Schola Cantorum (ik was daar lid van) geweldig. De vespers op zondag mooi. Een echt gebedsleven had ik er zeker niet.

      Ik geloof niet meer in wat de RK kerk ons voorschotelt. Spiritueel wil ik me wel noemen. Ik heb ook altijd veel interesse gehad in wat er in de RK kerk gebeurde. De vraag hoe religie eeuwen lang zo’n grote invloed op mensen heeft gehad en nog heeft, houdt me bezig. De kiem voor die interesse is gelegd op Ypelaar.

Cor Luijsterburg (1961-1968)

Ik ben altijd onder de indruk gebleven van de liturgie, met name die van de Goede Week. Alle grote kerkelijke feestdagen werden goed voorbereid. Ik was lid van de Schola en ben na Ypelaar nog lang lid geweest van een kerkkoor. Op Ypelaar is mijn liefde voor de kerkmuziek en klassieke muziek ontwikkeld. Ik kreeg er pianoles en luisterde samen met Theo de Badts (overleden in 1990) naar opera’s van Verdi. Hij had een hele verzameling.

      Op het feest van het Heilig Hart maakten we bloemenmozaïeken op het ‘wandelcircuit’ naast de studiezaal. Rond die tijd maakten we ook onze ‘bedevaart’ naar Chaam, een leuke dag.

Wim Näring (1961-1968)

 

Wij hadden op de Ypelaar een Schola Cantorum, die de gregoriaanse gezangen in de zondagse hoogmis en de vespers verzorgde. Zij stond onder de leiding van meneer Kuypers.

      Toegelaten tot de Schola waren enkele jongens die goed konden zingen. Ze werden gerecruteerd uit de iets hogere jaren, nadat onze jongens-stemmen waren gebroken tot tenoren, barytons en diepe bassen. De hele klas moest op een dag bij Kuypers – bij mij was dat in een van de klaslokalen in het oude gebouw – op auditie komen. We moesten iets zingen, iets nazingen, en Kuypers noteerde van alles op een blaadje. Wij noemden die auditie de “stierenkeuring”.

      In datzelfde klaslokaal in het oude gebouw werd ook gerepeteerd. Dat gebeurde ’s morgens en daar werd een substantieel deel van de ochtendrecreatie aan opgeofferd.

      Als leden van de Schola werden wij bij de missen gekleed in zwarte toog en witte superplie. Kuypers dirigeerde, althans tijdens het schooljaar. In de vacantieperiodes ging hij altijd pastoraal werk doen in een parochie, want, zo zei hij ons, “daar ben ik toch priester voor geworden?”.

      Een van de leden van de Schola werd door Kuypers aangewezen als ‘deken’. Deze moest de Schola dirigeren als Kuypers er niet was. Ik kreeg die functie, toen Ferry van Assche naar het Groot-Seminarie in Hoeven ging.

      Met de Schola van de Ypelaar gingen wij ook wel eens zingen op het woonwagenkamp Driekoningenoord. Wij zongen ook regelmatig bij de mis op de tuchtschool Den Hey-Acker. Als brave jongens van het Klein-Seminarie, bovendien van goeden huize, gingen wij de pre-conciliaire latijnstalige gregoriaanse mis zingen bij de ontspoorde jeugd in de tuchtschool, waar heel wat toekomstige criminelen tussen gezeten moeten hebben ….

Régis de la Haye (1957-1964)

 

In november 1964, met de Eerste Zondag van de Advent, werd in het bisdom Breda de liturgievernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie doorgevoerd. Er werden nieuwe altaren opgesteld, zodat de priester de Eucharistie kon vieren “met het gezicht naar het volk”, de liturgie mocht gevierd worden in de landstaal, en de volkszang werd bevorderd.[1]

 

Het ter communie gaan was op Ypelaar een heel ritueel van knielen op de communiebanken, een zilveren ovaalvormig schaaltje onder je kin vasthoudend om de hostie op je tong te mogen ontvangen.

De ontwikkelingen van het in 1962 gestarte Tweede Vaticaans Concilie, bijeengeroepen door de mijns inziens geweldig wijze, goede en lieve paus Johannes XXIII, hielden wij als Ypelarianen nauwgezet bij.

      Toen bekend werd, dat de communie ook op de hand ontvangen mocht worden, wilden wij als leerlingen van hoog tot laag dit natuurlijk ook. Tijdens een gezamenlijke Eucharistieviering door de regent op vrijdagmorgen, zouden wij dan ook demonstratief blijven staan, en onze rechterhand openen om de hostie te ontvangen. Nooit heb ik de regent zo hard horen briesen en rood worden als toen, die ons gericht de hostie tussen onze lippen duwde en dus voor ons een einde maakte aan de beloften van het Tweede Vaticaans Concilie.

      Tijdens het middageten kwam hij de grote refter ingestormd, en hield één van zijn donderpreken… Op straffe van wegzending van Ypelaar moesten we de H. Communie ontvangen als vanouds. Iedereen was stil van zijn woede-uitbarsting.

      Doch ’s avonds laat in het donker, was iemand [wie weet ik niet meer] de klokketoren ingeklommen, en liep met een brandende kaars omhoog, daarbij elk raam verlichtend, hetgeen natuurlijk een sensatie op zich was, en op de cour een geweldig applaus van ons allen ontlokte.

      Wat de echte redenen zijn, weet ik niet, maar al heel snel capituleerde de regent, en was ons toegestaan om de hostie staande en op de hand te ontvangen. De rust was wedergekeerd, en al snel werden de vaste Latijnse teksten van lezingen en gebeden ook in het Nederlands gehouden.

René Verdaasdonk (1963-1970)

Goede Week

Bijzonder gevierd werd de Goede Week. Daarvan was de liturgie in 1955 door Rome hervormd, en was met name de Paasvigilie van de middag weer teruggebracht naar de nacht. In de beginjaren 1950 werd het Paasvuur nog op Witte Donderdag, op de grote speelplaats ontstoken. De vier Passieverhalen in de Goede Week werden door enkele docenten in het latijn gezongen. Op donderdagavond, na de Herdenking van het Avondmaal, werd in de recreatiezaal de Matteüs-Passion van Bach gedraaid.

Kruisdagen

Op de Kruisdagen (maandag, dinsdag en woensdag voor Hemelvaart) werd een processie gehouden langs de boerderij en de moestuinen, met zang van de litanie van Alle Heiligen.

Bedevaart naar Chaam

Ieder jaar was er een bedevaart, te voet, naar Chaam.

Retraite

Voor onze spirituele ontwikkeling werd goed gezorgd. Ieder jaar was er een retraite in het retraitehuis in Seppe, dat geleid werd door de redemptoristen. Maar ook dat retraitehuis sneuvelde in de jaren 1960, toen het werd omgebouwd tot vormingshuis. In 1987 werd het gesloten.

Biechtpraktijk

Er werd veel gebiecht. Iedere leerling moest een biechtvader kiezen. Het belijden van de zonden vereiste veel creativiteit, want zoveel zware vergrijpen bedreven wij niet.

Recollecties

Soms kwam een pater een recollectie houden. Het was een soort retraite, maar binnen de muren van het klein-seminarie.

Pastoor

Ook de pastoor van de thuisparochie had een (meer controlerende) taak bij de geestelijke vorming van de seminarist. Iedere leerling moest zich tijdens iedere vacantie melden bij de pastoor van zijn thuisparochie, zo nodig gewapend met het laatste schoolrapport, en werd geacht iedere dag naar de kerk te gaan, en bij voorkeur zijn diensten als misdienaar c.q. als zanger of organist aan te bieden.

 

Ik herinner me, dat ik met mijn rapport van Ypelaar naar de thuis-pastoor moest, als ik thuis op vacantie mocht. Op het einde hiervan moest ik aan de pastoor een bewijs van goed gedrag tijdens mijn verblijf thuis vragen, en deze aan de regent geven. En oh wee…. als je deze niet kon overhandigen !!

René Verdaasdonk (1963-1970)

 

[1] J.Y.H.A. Jacobs (red.), Gaandeweg aaneengesmeed. Geschiedenis van het bisdom Breda (Nijmegen 2003), p. 104-125.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *